Veelgestelde vragen (FAQ) 2017 – 2018

  • Wat is het wettelijk kader voor onderwijstijd?

De nieuwe wet op de onderwijstijd (2015) geeft aan dat het bestuur zelf mag bepalen, in overleg met en met instemming van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) van de CVO Groep welke activiteiten van de leerlingen tot onderwijstijd wordt gerekend. Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/schooltijden-en-onderwijstijd/vraag-en-antwoord/hoeveel-lesuren-heeft-mijn-kind-in-het-voortgezet-onderwijs-vo

Hieronder staat in algemene zin beschreven wat door de scholen van de CVO Groep tot de onderwijstijd wordt gerekend.

Wettelijk dienen er 189 schooldagen ingeroosterd te worden voor de leerlingen.

  • Welke activiteiten tellen mee als Onderwijstijd binnen de CVO Groep?

De scholen die deel uitmaken van de CVO Groep delen de onderwijsactiviteiten in drie groepen in. Groep 1 zijn activiteiten direct verbonden aan het leren in en buiten de school, in groep 2 staan de activiteiten welke te maken hebben met cultuur, sport en ontspanning, in groep 3 staan de activiteiten welke de leerlingen zelfstandig, in opdracht van de school, uitvoeren.

De genoemde activiteiten in de groepen hieronder zijn geen limitatieve opsomming, door onderwijsontwikkelingen en –vernieuwing kunnen er activiteiten bij komen.

Activiteiten groep 1
Lessen
Examens en centraal afnemen toetsen
Examentrainingen
Mentor- of docentgesprekken
Werkweken/uitwisselingen
Projectweken

Activiteiten groep 2
Theaterbezoek in opdracht van de school
(Sport)activiteiten georganiseerd door of met deelname van de school

Activiteiten groep 3
Maken van (profiel)werkstukken buiten de lessen
Activiteiten gericht op loopbaanoriëntatie en vervolg onderwijs
(Maatschappelijke) Stages en arbeidservaringsprojecten
Excursies in verband met (profiel)werkstukken
Studiebegeleiding in opdracht van de school

De scholen registreren de onderwijstijd aan de hand van deze drie groepen.

  • Wat gebeurt er bij lesuitval?

Soms informeren ouders naar de oorzaak van het af en toe uitvallen van geprogrammeerde lessen, -iets wat op de meeste scholen in Nederland speelt.

De wet verplicht scholen 1000 uur onderwijs per jaar te verzorgen. Om precies te zijn moeten leerlingen in hun gehele schoolloopbaan gemiddeld 1000 uur per jaar aan gerealiseerde onderwijstijd hebben gehad. Omdat er uiteraard altijd redenen zijn waarom sommige lessen uitvallen, plannen wij 5 tot 8% meer lessen en onderwijsactiviteiten dan wettelijk verplicht. Dus wij plannen bijna 1100 uur. Want wij weten uit ervaring dat 5 tot 8% van de lessen uitvalt in een schooljaar. Dat komt door:

  • ziekte van docenten
  • begrafenissen of andere vormen van bijzonder verlof (dat ligt vast in de CAO)
  • scholing van docenten (ook een CAO verplichting)
  • activiteiten van andere klassen: als een klas op excursie gaat, moeten er drie docenten mee, dus hebben twee andere klassen geen les van die docenten.

De vraag is dus niet zozeer “hoeveel lessen vallen er uit?”, maar “hoeveel lestijd wordt er gerealiseerd?”

Aan het eind van het schooljaar blijkt altijd weer dat wij die 1000 uur onderwijstijd gemiddeld halen. Daarover legt de schoolleiding verantwoording af aan de medezeggenschapsraad en aan de Onderwijsinspectie. Uiteraard worden verkorte lesdagen en (in bepaalde gevallen) toetsweken daarbij niet als dagen met 100% onderwijstijd gerekend.

Vooral in de eerste weken van het schooljaar is relatief veel lesuitval: dan hebben de meeste klassen introductieprogramma’s, waarvoor bijvoorbeeld de sportvelden nodig zijn, waardoor reguliere lessen l.o. voor andere klassen uitvallen. Ook vindt er in het begin van het schooljaar relatief veel scholing voor docenten plaats, om direct vanaf de start een stevige impuls aan verdere verbetering van onze onderwijskwaliteit te geven.

Wij hebben er als school voor gekozen geen ‘ophok-uren’ voor leerlingen te creëren, waarbij zij onder toezicht van een onderwijsassistent aan hun huiswerk kunnen werken. De leerlingen kunnen in een tussenuur gewoon met hun Macbooks aan het werk, bijvoorbeeld in het Open Leer Centrum, of mogen elders in of rond de school rustig met elkaar praten.

Dit beleid is met de oudergeleding van de Medezeggenschapsraad besproken, en heeft ieders instemming, want elke andere oplossing heeft meer nadelen.

  • Hoe communiceert de school over lesuitval?

In periodes waarin er meer lesuitval plaatsvindt dan gewoonlijk, schrijft de rector daar vaak nog een extra brief over aan de ouders. Ook schrijft de rector in veel gevallen brieven aan ouders als er docenten langdurig ziek zijn, om uit te leggen hoe we dit denken op te lossen.

Als er ‘calamiteiten’ zijn in de vorm van langdurig zieke docenten doet de school haar uiterste best om vervanging te regelen, maar door het grote docententekort in Nederland (bij vrijwel alle vakken) is dat niet altijd mogelijk. Onder het kopje “Personalia’ staat in de Onder De Linden vaak wat er op dit gebied speelt.

  • Kan ik als ouder zien wat voor huiswerk mijn kind heeft?

Sommige ouders zouden graag kunnen ‘meekijken’ welk huiswerk hun kind heeft opgekregen. Huiswerk in de eerste twee leerjaren wordt door de docent in de Google- Agenda gezet. Gedurende leerjaar drie verschuift langzamerhand de verantwoordelijkheid voor het noteren van huiswerk naar de leerling. Deze kan daarvoor Google Agenda blijven gebruiken, waarin naast schoolafspraken ook de sportverplichtingen en bijbaantjes en dergelijke gepland kunnen worden. Uiteindelijk dient een leerling zelf zijn week te kunnen plannen en overzicht te hebben over alles wat hij of zij te doen heeft. Naast Google Agenda maken sommige docenten gebruik van studiewijzers in SOMtoday of in Google Classroom. Daarin worden meestal weektaken weergegeven. In alle gevallen is het door docenten opgegeven huiswerk digitaal alleen vanuit het account van de leerling zelf te zien. We kunnen niet de ouders ook toegang tot deze systemen geven. Het is dus aan ouder en kind om samen afspraken te maken over inzage in het huiswerk. Het zou voor sommige kinderen wellicht goed zijn om een ‘ouderwetse’ papieren agenda te gebruiken.

  • Waarom zijn er studiewijzers?

Studiewijzers, die per vak en per leerjaar voor leerlingen te vinden zijn in de google drive, zijn geen ‘spoorboekjes’ voor het onderwijs. Het is een omschrijving van het curriculum (onderwijsprogramma), met een ruwe inschatting van het tijdpad dat daarmee gemoeid is.

Er zijn diverse redenen waarom wij ons onderwijscurriculum in de vorm van studiewijzers per leerjaar hebben gegoten:

-de Onderwijsinspectie vraagt van ons om een ‘leerplan’ waarin omschreven staat wanneer welke leerstof wordt aangeboden.
-de meeste vaksecties bestaan uit een groot aantal docenten. Zij moeten hetzelfde curriculum verzorgen, in min of meer hetzelfde tijdpad: het programma van bijvoorbeeld 1TH1 moet hetzelfde zijn als dat van 1TH2. Om die afstemming tussen docenten te bevorderen is het programma beschreven in een studiewijzer.
-als een docent langere tijd ziek is, wordt hij vervangen door een andere docent, vaak iemand ‘van buitenaf’ die van de ene dag op de andere het programma moet kunnen overnemen. De studiewijzer is voor zo’n vervangende docent een waardevol hulpmiddel bij het plannen en uitvoeren van de lessen.

Dus de studiewijzers zijn er in de eerste plaats voor de docenten. Wij hebben ervoor gekozen om de studiewijzers ook inzichtelijk te maken voor leerlingen, o.a. omdat wij denken dat het voor leerlingen prettig is om het geheel van de lesstof te kunnen overzien, en ruim te voren te weten wanneer (ongeveer) bepaalde grotere opdrachten of toetsen van hen verwacht worden.

In sommige gevallen kan een docent die van te voren weet dat hij een of meer lessen afwezig zal zijn, de leerlingen vragen om tijdens zijn afwezigheid volgens de studiewijzer door te werken.

  • Waarom lopen niet alle lessen strikt volgens de studiewijzers?

Het feit dat de lesstof in de studiewijzers in wekelijkse porties omschreven wordt, betekent niet dat de stof ook in elke klas in die week behandeld wordt: er kunnen tal van redenen zijn (afwezigheid van een docent of van een klas, bv. wegens excursies) waardoor de stof in de ene klas eerder behandeld wordt dan in de andere (parallel)klas.

Het huiswerk wordt in de onderbouw opgegeven in de digitale agenda, en dus niet in de studiewijzer.

Soms maken ouders zich zorgen als een docent wat langer afwezig is: komt de lesstof zoals omschreven in de studiewijzer dan niet in het gedrang? Het antwoord daarop is: nee. De praktijk wijst uit dat in Nederland ca. 5-8% van de lessen uitvalt, om diverse redenen: een docent kan afwezig zijn wegens ziekte, begrafenis, geboorte van een kind etc. Docenten gaan naar scholingsbijeenkomsten. Maar ook gaan docenten mee als begeleider van excursies. Klassen hebben regelmatig buitenschoolse activiteiten waardoor er reguliere lessen uitvallen. Daarom bevat de studiewijzer ca.10% meer stof/opdrachten dan strikt nodig is om de leerlingen voor te bereiden op het eindexamen. Wij garanderen dat het wettelijk verplichte curriculum op onze school ruimschoots gerealiseerd wordt. Ook slagen wij erin de wettelijk verplichte onderwijs te realiseren, o.a. door meer lessen te plannen dan noodzakelijk is voor het realiseren van de onderwijstijd. Dus als er lessen uitvallen om de hierboven genoemde redenen, komt de realisatie van de onderwijstijd niet in gevaar.

  • Waarom zijn er voor tto-klassen meer activiteiten dan voor leerlingen in het Nederlandstalige onderwijs?

Tweetalig onderwijs (tto) moet voldoen aan de standaarden die daarvoor gesteld zijn door het Europees Platform (EP Nuffic). Dat impliceert o.a. extra Engels, EIO (Europese en Internationale Oriëntatie), internationaliseringsprojecten en -uitwisselingen. Docenten moeten aantoonbaar extra geschoold worden. Dit alles brengt extra kosten met zich mee, waarvoor ouders dus ook extra betalen. Zie http://www.clz.nl/financien/.

Voor Nederlandstalig onderwijs mogen geen financiële drempels opgeworpen worden, dus zelfs als (een deel van de) ouders van leerlingen in het Nederlandstalige onderwijs zulke extra activiteiten zouden wensen en bereid zouden zijn hiervoor extra te betalen, dan is dit in de praktijk niet mogelijk.

  • Als ouders een MacBook niet kunnen betalen, wat dan?

Tot 2009 moesten ouders niet alleen de agenda, kaftpapier, tekenspullen, gymkleding en rekenmachine, maar ook alle schoolboeken (plus een Bosatlas en woordenboeken) zelf aanschaffen en betalen. Daar is sinds de invoering van de ‘gratis schoolboeken’ (2009) verandering in gekomen: schoolboeken inclusief werkboeken zijn gratis. Wel vragen wij van ouders om voor hun kind een Macbook te kopen. Op CLZ werken leerlingen in principe met een eigen Macbook: wij merken dat leerlingen daar zorgvuldiger mee omgaan dan met spullen die ze ‘gratis’ krijgen van school. Uiteraard heeft dit beleid de instemming van de Medezeggenschapsraad.

De rijksbekostiging die scholen ontvangen is bij lange na niet voldoenden om zowel gedrukte boeken (wij spreken in dit verband over “folio”) als laptops plus licenties (die laatste zijn buitengewoon duur) te betalen. Dus moeten scholen keuzes maken. Sommige scholen gaan daarom geheel over op ‘digitaal’ (dus daar zijn geen folio-leermiddelen meer), maar worden dan geconfronteerd met hoge kosten voor licenties. Er moet dan bespaard worden op andere uitgaven (b.v. door grotere klassen te maken of te bezuinigen op de huisvesting) om die licenties te betalen.

Op CLZ denken wij (daarin gesteund door wetenschappelijk onderzoek) dat het leren uit folio in een aantal gevallen beter is dan alles vanaf de laptop. Maar alleen maar folio is ook wel wat ‘armoedig’, want ICT biedt een rijkdom aan didactische mogelijkheden, waar leerlingen veel baat bij hebben in hun leerproces (gedifferentieerd onderwijs). Om die reden werken wij sinds 2010 met een mix van folio en ICT. En wij vragen dus de ouders die dat kunnen betalen om een Macbook aan te schaffen voor hun kind, vanuit de redenering dat die Macbook duurzaam is, en zelfs na afronding van je schoolloopbaan in het MBO, HBO of universitair onderwijs nog gebruikt kan worden.

Tot nu toe bleken nagenoeg alle ouders daartoe in staat. Of kozen zij voor hun kind een andere school, die niet zo ambitieus als CLZ is t.a.v. ICT. Ouders die voor CLZ kiezen en de laptop (ondanks de kindgebonden financiering) aantoonbaar niet kunnen betalen, krijgen van ons een betalingsregeling op maat.

  • Staan alle schoolboeken ook op de laptops?

Het inzetten van de laptops voor het onderwijs is nog volop in beweging. Per jaar en per vak verandert het gebruik hiervan. In de onderbouw zijn sommige schoolboeken vervangen door een digitale methode. Deze vakken hebben dus geen schoolboeken (‘folio’) meer. Bij veel vakken wordt een mix van digitaal en folio gebruikt. Enkele vakken kiezen voorlopig toch voor folio. Het maken van PDF’s van schoolboeken is niet altijd toegestaan door uitgeverijen, dus dat kan alleen als daarover heldere afspraken zijn gemaakt met een bepaalde uitgever.

  • Hebben de leerlingen dan toch nog zware boekentassen?

Dat varieert per leerling en per leerjaar. De schooltassen zijn minder zwaar dan vroeger. Leerlingen in hogere leerjaren hebben vaak in de praktijk geleerd welke boeken ze in hun kluisje kunnen laten, en sjouwen dus niet alles mee. De MacBook Air weegt slechts 1,08 kg (plus een beetje voor de hoes), en daar zitten dus diverse boeken ‘in’. De boeken van bijvoorbeeld aardrijkskunde die tot voorkort gebruikt werden (basisboek, tekstboek en werkboek) waren al zwaarder dan de Macbook. Leerlingen hoeven geen agenda en multomappen meer mee te nemen. Afhankelijk van het dagrooster komen boven op dat Macbook gewicht dus nog enkele schoolboeken. Maar al met al is het gewicht dus wel gedaald.

  • Sommige leerlingen vinden het lastig om groepsopdrachten te maken, en omdat niet ieder groepslid even veel bijdraagt aan het eindproduct ervaren zij een groepsbeoordeling als “oneerlijk”. Hoe gaat de school hiermee om?

Onze visie op onderwijs (te vinden op de site) stelt “Leren samenwerken en samenwerkend leren vormen een belangrijk onderdeel van ons schoolleven”. Samenwerken is een vaardigheid die tegenwoordig (verplicht) onderdeel uitmaakt van het Nederlandse onderwijs. Maar het is geen gemakkelijke vaardigheid, en het leren ervan kost een aantal jaren. Ook in je latere beroepsleven zul je veel moeten samenwerken, vaak met mensen die heel anders zijn dan jij.

Docenten zijn zich er van bewust dat leerlingen die vaardigheid in de loop van een aantal jaren moeten ontwikkelen. De manier waarop dat aangeleerd wordt varieert per vak en per docent. Juist door die veelheid aan vormen waarin leerlingen moeten samenwerken, ontdekken zij hoe ze met de lastige kanten van samenwerken kunnen omgaan. Docenten laten leerlingen soms groepjes kiezen, maar stellen deze vaak ook zelf samen. Dan zitten leerlingen met verschillende leerstijlen en capaciteiten door elkaar. Vaak wordt er een rolverdeling afgesproken. Net als in het ‘volwassen leven’ zitten er in sommige groepjes leerlingen die hard hun best doen, samen met leerlingen die er de kantjes van aflopen. Toch beoordelen docenten in veel gevallen het gezamenlijke eindproduct (net als in het ‘volwassen leven’….). Vaak wordt de leerlingen gevraagd om in een reflectieverslag aan te geven hoe de samenwerking is verlopen. Dat reflectieverslag kan aanleiding voor een docent zijn om het cijfer aan te passen. Maar het is onvermijdelijk dat de beoordeling van het groepsproduct af en toe tot frustraties leidt bij leerlingen die meer inzet hebben getoond dan anderen. We beschouwen ook zulke frustrerende ervaringen als ‘leerschool voor het leven’.

  • Hoe worden de leerlingen studievaardigheden bijgebracht en hoe leren ze om zich voor te bereiden op toetsen?

In leerjaar 1 en 2 hebben de leerlingen wekelijks 1 uur studiebegeleiding (sb). Daarin leren ze om te gaan met hun laptop, ze maken kennis met verschillende studievaardigheden en is er aandacht voor groepsdynamica en sociaal-emotionele ontwikkeling (waaronder: media-wijsheid, digitaal respect en het fenomeen ‘pesten’).

De sb-lessen worden grotendeels door de mentor gegeven. Er is aandacht voor allerlei aspecten van studievaardigheden, b.v. plannen, woordjes leren, samenvattingen maken, mindmappen, het voorbereiden van toetsen. Maar de manier van leren is sterk persoonsgebonden. Daarom is het zinloos om aan alle leerlingen één bepaalde studiemethode aan te leren. Leerlingen worden aangemoedigd om zelf te experimenteren met verschillende manieren van leren, en zo in de loop van een paar jaar te gaan ontdekken wat het best bij hen past. Omdat wij merken dat leerlingen het moeilijk vinden om dat wat ze in het sb-uur leren toe te passen in de diverse vaklessen, besteden de meeste vakdocenten ook aandacht aan het leren-leren. Bv. bij geschiedenis leren ze verschillende manieren om samenvattingen te maken en woordwebs en mindmaps te maken. Op de laptop of handmatig. Sommige leerlingen pikken dit snel op, maar voor anderen blijft het een levenslange zoektocht. Er bestaat wereldwijd geen enkele studievaardigheidsmethode die op alle leerlingen is toegesneden. Dus blijven onze docenten voortdurend zoeken naar adequate manieren om leerlingen uit te dagen om te zoeken naar wat bij hen past.

  • Mijn kind heeft een onvoldoende gemaakt voor een toets. Ik wil graag zien wat voor fouten hij heeft gemaakt, maar mijn kind mag de toetsopgaven niet mee naar huis nemen. Waarom geeft de school die toetsen niet mee?

De gemaakte toetsen worden altijd nabesproken in de klas, omdat leerlingen kunnen leren van hun gemaakte fouten. Bij sommige vakken wordt (in de onderbouw) het gemaakte werk meegegeven. De toetsopgaven worden slechts in een enkel geval meegegeven. In de Tweede Fase wordt geen enkel werkstuk/toets teruggegeven (conform de regels in het PTA, Programma van Toetsing en Afsluiting).

Er zijn diverse redenen waarom de toetsopgaven ook in de onderbouw in veel gevallen niet meegegeven worden. Wij willen toetsen vaak meerdere jaren achtereen gebruiken. Dat is niet omdat docenten te lui zijn om ieder jaar nieuwe toetsen te construeren, maar:

vanuit oogpunt van ‘kwaliteitszorg’ is het belangrijk om enkele jaren achtereen dezelfde toets te geven. Dat betekent ‘rechtsgelijkheid’ (in het ene jaar zijn de toetsen even moeilijk/makkelijk als in het andere jaar) en we kunnen het niveau van het onderwijs door de jaren heen bewaken.

Bij sommige vakken worden toetsen afgenomen die door de uitgever geleverd worden. Die mogen niet ‘op straat’ terecht komen (of: bij de bijlesdocent of het huiswerkinstituut), want deze toetsen worden door heel Nederland gebruikt.

Voor sommige vakken is het lastig om verschillende gelijkwaardige toetsen te maken, bijvoorbeeld voor Geschiedenis is slechts een beperkt aantal historische bronnen geschikt als toetsmateriaal. Ook voor een vak als Nederlands is het soms lastig om geschikte teksten te vinden voor samenvattingen, dus willen we die teksten vaker kunnen gebruiken.

Een ander argument is dat we merken dat, als leerlingen weten dat ze de toets mee naar huis krijgen, zij niet meer opletten tijdens de klassikale nabespreking van de toets en soms zelfs de orde verstoren, vanuit de gedachte “mijn moeder c.q. mijn bijlesdocent legt het vanavond thuis wel uit; ik heb nu geen zin om op te letten”. Waarmee deze leerlingen het klasgenoten (die niet beschikken over zo’n moeder of bijlesdocent) moeilijk maken om wel op te letten.

 -.-.-